ECLI:NL:CRVB:2023:1585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting gehuwdenpensioen wegens ontbreken duurzaam gescheiden leven
Appellant, gehuwd sinds 1972, vroeg per 16 maart 2020 om een ongehuwdenpensioen omdat hij niet meer samenwoonde met zijn echtgenote. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) besloot op 9 november 2020 het gehuwdenpensioen ongewijzigd voort te zetten wegens het ontbreken van duurzaam gescheiden leven. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel op 10 augustus 2022.
De Centrale Raad van Beroep behandelde het hoger beroep en oordeelde dat appellant en zijn echtgenote financieel nog steeds met elkaar verweven zijn, onder meer door gezamenlijke eigendom van de woning, gezamenlijke bankrekening en verzekeringen, en dat er regelmatig contact was, zoals wekelijkse telefoongesprekken en ontmoetingen bij de kinderen. Deze feiten weerleggen duurzaam gescheiden leven.
De Raad benadrukte dat het begrip duurzaam gescheiden leven vereist dat ten minste één van de echtgenoten de huwelijkse samenleving wil verbreken, dat ieder een eigen leven leidt alsof niet gehuwd, en dat deze situatie als blijvend wordt bedoeld. De Raad verwierp de stelling van appellant dat latere wijzigingen in de situatie relevant zijn en wees ook het argument van ongelijke behandeling af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het gehuwdenpensioen ongewijzigd blijft.
Uitkomst: Het gehuwdenpensioen van appellant wordt ongewijzigd voortgezet wegens het ontbreken van duurzaam gescheiden leven.