ECLI:NL:CRVB:2023:16

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 januari 2023
Publicatiedatum
6 januari 2023
Zaaknummer
22 / 1637 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ingangsdatum pgb-ondersteuning zelfzorg en gezondheid op 16 maart 2020

Appellante heeft een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangen voor ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015), waaronder ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam stelde de ingangsdatum van deze ondersteuning vast op 16 maart 2020, ondanks het verzoek van appellante om terug te gaan tot 18 februari 2018, de datum van haar eerste melding.

De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de ondersteuning vanaf 18 februari 2018 had moeten ingaan, mede vanwege de verwijzing tussen zorgverzekeraar en gemeente. De Centrale Raad van Beroep oordeelt echter dat het college voldoende heeft gemotiveerd waarom terugwerkende kracht tot 16 maart 2020 passend is en dat appellante geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.

De Raad benadrukt dat appellante de mogelijkheid had om tegen eerdere besluiten bezwaar te maken, wat zij niet heeft gedaan. Gezien het tijdsverloop en het ontbreken van rechtsmiddelen, is het college niet tekortgeschoten in de vaststelling van de ingangsdatum. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De ingangsdatum van de pgb-ondersteuning voor zelfzorg en gezondheid wordt bevestigd op 16 maart 2020; het hoger beroep wordt afgewezen.

Uitspraak

22 1637 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 april 2022, 21/2853 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 5 januari 2023

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. Warmenhoven hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben verzocht een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1.
Het college heeft aan appellante op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) vanaf 1 oktober 2018 bij afzonderlijke besluiten van 28 januari 2020, 19 maart 2020 en 1 oktober 2020 opvolgende maatwerkvoorzieningen verstrekt, bestaande uit een ondersteuningsarrangement voor sociaal en persoonlijk functioneren, ondersteuning en regie bij het voeren van een huishouden en financiën, alles in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). De looptijd van de laatst verstrekte maatwerkvoorziening is van 19 oktober 2020 tot en met 12 oktober 2025. Appellante heeft tegen deze besluiten geen rechtsmiddelen aangewend of deze weer ingetrokken.
1.2.
Bij besluit van 12 januari 2021, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 april 2021 (bestreden besluit), heeft het college naar aanleiding van een klacht in december 2020, gevolgd door een aanvraag van 11 januari 2021, opnieuw een pgb voor het onder 1.1 genoemde ondersteuningsarrangement aan appellante verstrekt, aangevuld met ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid (midden/intensief). Het college heeft deze maatwerkvoorziening verstrekt voor de periode van 16 maart 2020 tot en met 9 maart 2025. Het college heeft geen aanleiding gezien om de ingangsdatum voor de ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid te bepalen op 18 februari 2018. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de situatie van appellante sinds 18 februari 2018 in een snel tempo is verslechterd, van slechts een verzoek om ondersteuning bij het huishouden bij de eerste melding tot een indicatie op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet langdurige zorg per 3 januari 2021. Appellante heeft tegen de eerdere besluiten over de aan haar verstrekte maatwerkvoorziening geen bezwaar gemaakt. Met de ingangsdatum van 16 maart 2020 is al ten gunste van appellante afgeweken van het beleid dat de ingangsdatum van de ondersteuning ligt op of na de datum waarop op de aanvraag voor ondersteuning wordt beslist. Er is geen aanleiding om met verdergaande terugwerkende kracht ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid te verstrekken aan appellante.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij wél met ingang van 18 februari 2018 in aanmerking dient te komen voor ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid, gezien haar klachten en beperkingen. Vanaf 18 februari 2018, de datum waarop appellante zich voor het eerst heeft gemeld, heeft het college aan appellante ondersteuning verstrekt op grond van de Wmo 2015. De ondersteuning voor zelfzorg en gezondheid is aanvankelijk geweigerd met een verwijzing naar de Zorgverzekeringswet. De zorgverzekeraar heeft echter weer terugverwezen naar de gemeente. Logisch gevolg zou moeten zijn dat de ondersteuning voor zelfzorg en gezondheid vanaf 18 februari 2018 aan appellante wordt verstrekt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van de aan appellante in de vorm van een pgb verstrekte ondersteuning voor zelfzorg en gezondheid.
4.2.
Het college heeft afdoende gemotiveerd waarom het geen aanleiding ziet om met een verdergaande terugwerkende kracht dan tot 16 maart 2020 een pgb voor ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid aan appellante te verstrekken. In wat appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere feiten of omstandigheden die maken dat het college de ingangsdatum van de ondersteuning bij zelfzorg en gezondheid had moeten bepalen op 18 februari 2018. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat het op de weg van appellante had gelegen om, voor zover zij het niet eens was met de (omvang van de) eerdere verstrekkingen, daartegen rechtsmiddelen aan te wenden. Gegeven het nalaten daarvan door appellante en het tijdsverloop, kan niet worden gezegd dat het college, door de voorziening met terugwerkende kracht tot 16 maart 2020 te laten ingaan, onvoldoende rekening heeft gehouden met de gang van zaken rond de verwijzing naar de zorgverzekeraar.
4.3.
Uit wat in 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en D. Hardonk-Prins en K.H. Sanders als leden, in tegenwoordigheid van I. van der Hout als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2023.
(getekend) B.J. van de Griend
(getekend) I. van der Hout