ECLI:NL:CRVB:2023:1663
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen bankrekeningen minderjarige dochter
Appellante ontving bijstand sinds 2013 en stond onder bewind. Het college stelde een onderzoek in nadat bleek dat de ex-echtgenoot van appellante op haar adres stond ingeschreven en er aanzienlijke stortingen plaatsvonden op bankrekeningen van haar minderjarige dochter. Appellante had deze rekeningen niet gemeld, waardoor het college de bijstand over de periode van oktober 2017 tot november 2019 herzag, terugvorderde en vanaf december 2019 introk.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze besluiten ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij alle gevraagde stukken had ingeleverd en dat de inkomsten van haar dochter niet tot haar middelen mochten worden gerekend. Ook betoogde zij dat het college zelf onderzoek had moeten doen en dat het bestreden besluit tardief was met betrekking tot het verblijf in het buitenland en samenwoning.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenverplichting had geschonden door het niet melden van de rekeningen en het niet overleggen van bankafschriften over de relevante periode. De Raad verwierp het verweer dat het college de afschriften had moeten opvragen en vond dat appellante dit zelf had kunnen doen. Bovendien was niet aannemelijk gemaakt dat de stortingen op de rekeningen van de dochter inkomsten uit arbeid waren. De Raad bevestigde daarom de intrekking, terugvordering en beëindiging van de bijstand en wees de proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De intrekking, terugvordering en beëindiging van de bijstand worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting door appellante.