ECLI:NL:CRVB:2023:1673
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante vorderde een WIA-uitkering, maar het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid op minder dan 35%, waardoor de uitkering werd geweigerd. In een eerdere tussenuitspraak oordeelde de Raad dat het medisch onderzoek onvolledig en onzorgvuldig was omdat geen fysiek spreekuurcontact met een verzekeringsarts plaatsvond. Het UWV heeft dit gebrek hersteld door een aanvullend onderzoek waarbij appellante lichamelijk en psychisch werd onderzocht.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er geen aanleiding was het eerdere medische standpunt te herzien. De Raad achtte de beperkingen van appellante juist vastgesteld en vond geen bewijs voor zwaardere beperkingen, zoals rug- en heupklachten op de datum in geding. Appellante bracht geen nieuwe medische stukken in die haar stellingen ondersteunden.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, verklaarde het beroep gegrond en handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Appellante heeft geen recht op een WIA-uitkering per 14 november 2019.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het UWV vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; appellante krijgt geen WIA-uitkering.