ECLI:NL:CRVB:2023:1686
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WIA-uitkering wegens laattijdige aanvraag en niet voltooide wachttijd
Appellante was werkzaam als huishoudelijk medewerker en viel op 17 mei 2005 uit wegens epilepsie en Multiple Sclerose. Pas op 31 oktober 2019 vroeg zij een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze per 15 mei 2007 omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de wachttijd van 104 weken niet was voltooid.
De verzekeringsarts concludeerde dat het medisch bewijs onvoldoende was om aan te tonen dat appellante onafgebroken arbeidsongeschikt was gedurende de wachttijd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de gewijzigde motivering van het UWV geen strijd opleverde met het verbod van reformatio in peius.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel recht had op uitkering en dat de gewijzigde motivering haar positie verslechterde. De Raad oordeelde dat het verbod van reformatio in peius niet was geschonden en bevestigde dat de wachttijd niet was vervuld. De laattijdige aanvraag bracht het bewijsrisico bij appellante, en de medische stukken ondersteunden onvoldoende dat zij gedurende 104 weken arbeidsongeschikt was geweest.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht de WIA-uitkering had geweigerd en bevestigde de eerdere uitspraak zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat de wachttijd van 104 weken niet is vervuld en de aanvraag laattijdig is ingediend.