Appellant, met een indicatie voor langdurige zorg vanwege extreme gedragsproblematiek, had een aanvraag voor meerzorg ingediend bij het zorgkantoor, die werd afgewezen. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand bleven, waarbij het zorgkantoor werd veroordeeld tot schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat het zorgkantoor het standpunt dat geen meerzorg nodig is heeft verlaten en dat nader onderzoek noodzakelijk is om de aard en omvang van de zorg vast te stellen. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt het zorgkantoor op een nieuwe beslissing te nemen, waarbij beroep alleen bij de Raad mogelijk is.
Daarnaast is vastgesteld dat de redelijke termijn van vijf jaar en zeven maanden is overschreden, waardoor appellant recht heeft op een aanvullende schadevergoeding van € 500,-. De Staat wordt veroordeeld tot betaling van deze vergoeding en de proceskosten van appellant, terwijl het zorgkantoor wordt veroordeeld in de overige proceskosten van appellant in hoger beroep.