ECLI:NL:CRVB:2023:1855

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
22/3922 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening stopzetting bezoldiging ambtenaar

Verzoekster heeft bij brief van 28 maart 2022 verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 oktober 2017, waarin het bezwaar tegen de stopzetting van haar bezoldiging werd afgewezen.

Zij stelde dat de bezoldiging in april 2015 opnieuw was stopgezet zonder besluit, en dat dit pas in een latere procedure bekend werd. Ook verwees zij naar verklaringen van de bedrijfsarts in een tuchtrechtelijke procedure.

De Raad oordeelt dat de feiten omtrent de stopzetting in april 2015 reeds bekend waren tijdens de eerdere procedure en daarom geen grond voor herziening vormen. De aangevoerde argumenten over de bedrijfsarts zijn geen nieuwe feiten maar een hernieuwde discussie over de eerdere uitspraak, wat niet is toegestaan.

Daarom wordt het verzoek om herziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om herziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.

Uitspraak

22/3922 AW
Datum uitspraak: 5 oktober 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 oktober 2017, 16/2547
Partijen:
[verzoekster] zonder vaste woon- of verblijfplaats (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Westland (college)
PROCESVERLOOP
Bij brief van 28 maart 2022 heeft verzoekster verzocht om herziening van de uitspraak van de Raad van 26 oktober 2017, 16/2547 AW [1] .
Het college heeft hierop gereageerd.
Appellante heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.F.R. Eisenberger, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G.E.A. Frederix-Gianotten, advocaat en mr. B.J. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.
Met zijn uitspraak van 26 oktober 2017, heeft de Raad het bij besluit van 24 augustus 2015 ongegrond verklaarde bezwaar tegen het besluit van 6 februari 2015, waarbij de bezoldiging van appellante is stopgezet, in stand gelaten.
2. Verzoekster heeft aan haar verzoek om herziening – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat de betaling van de bezoldiging in april 2015 nogmaals is stopgezet, zonder dat daarover een besluit is genomen. Dit is pas tijdens een zitting bij de rechtbank in een andere procedure in september 2020 bekend geworden. Het besluit van 6 februari 2015 is daarom van rechtswege vervallen, aldus verzoekster. Daarnaast heeft de bedrijfsarts volgens verzoekster in de tuchtrechtelijke procedure erkend dat het mogelijk is dat zij de verzoeken van de bedrijfsarts om een machtiging af te geven niet heeft ontvangen.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1.
Ingevolge artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en;
c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
3.2.
Het kon verzoekster ten tijde van de procedure bij de Raad in 2017 al duidelijk zijn dat de bezoldiging in februari en maart 2015 nog was uitbetaald en dat de bezoldiging in april 2015 niet meer was uitbetaald onder andere door middel van haar bankafschriften. Verzoekster kon dit feit daarom al in de procedure in 2017 naar voren brengen. Dit betekent dat het feit van de stopzetting van de bezoldiging in april 2015 geen reden kan zijn voor herziening.
3.3.
Wat verzoekster aanvoert over de uitspraken van de bedrijfsarts in de tuchtrechtprocedure, zijn geen feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, maar argumenten, waarmee verzoekster een discussie poogt te voeren over de juistheid van de uitspraak van 26 oktober 2017. Daarin is al geoordeeld dat ook als ervan wordt uitgegaan dat verzoekster de eerste brief van bedrijfsarts uit november 2014 niet heeft bereikt, niet kan worden gezegd dat de bedrijfsarts verzoekster onvoldoende tijd en mogelijkheid heeft gegeven om de schriftelijke toestemming te geven. Volgens vaste rechtspraak is het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet gegeven om een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en evenmin om een discussie over de betrokken uitspraak te heropenen [2] .
3.4.
Uit 3.2 en 3.3 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek tot herziening af.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en J.J.T. van den Corput en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2023.
(getekend) H. Lagas
(getekend) L.C. van Bentum

Voetnoten

2.Uitspraak van 7 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR2506.