Appellante was sinds 2008 werkzaam als applicatiebeheerder bij de gemeente Westland en werd in 2017 ontslagen. Zij verzocht herhaaldelijk om terugkeer van haar bezoldiging en intrekking van het ontslag, wat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond en de Raad bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat het college terecht het verzoek van 10 december 2018 als een verzoek tot terugkomen van het besluit van 6 februari 2015 heeft afgewezen, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. Tevens werd vastgesteld dat het verzoek niet evident onredelijk was.
De Raad constateerde dat de totale duur van de procedure vanaf het rechtstreeks beroep in maart 2019 tot de uitspraak in oktober 2023 ruim vier jaar en zeven maanden bedroeg, wat de redelijke termijn overschrijdt. Daarom werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000 en proceskosten van €418,50 aan appellante.
Het hoger beroep werd afgewezen, waarmee het bestreden besluit in stand bleef. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 oktober 2023.