Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:1857

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
20/3874 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 6 EVRMAmbtenarenwet 2017
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering terugkomen van ontslagbesluit en toekenning schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn

Appellante was sinds 2008 werkzaam als applicatiebeheerder bij de gemeente Westland en werd in 2017 ontslagen. Zij verzocht herhaaldelijk om terugkeer van haar bezoldiging en intrekking van het ontslag, wat door het college werd afgewezen. De rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond en de Raad bevestigde dit in hoger beroep.

De Raad oordeelde dat het college terecht het verzoek van 10 december 2018 als een verzoek tot terugkomen van het besluit van 6 februari 2015 heeft afgewezen, omdat geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. Tevens werd vastgesteld dat het verzoek niet evident onredelijk was.

De Raad constateerde dat de totale duur van de procedure vanaf het rechtstreeks beroep in maart 2019 tot de uitspraak in oktober 2023 ruim vier jaar en zeven maanden bedroeg, wat de redelijke termijn overschrijdt. Daarom werd de Staat veroordeeld tot een schadevergoeding van €1.000 en proceskosten van €418,50 aan appellante.

Het hoger beroep werd afgewezen, waarmee het bestreden besluit in stand bleef. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 oktober 2023.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het bestreden besluit blijft in stand; de Staat wordt veroordeeld tot betaling van €1.000 schadevergoeding en €418,50 proceskosten.

Uitspraak

20/3874 AW
Datum uitspraak: 5 oktober 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 30 september 2020, 19/2130 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] zonder vaste woon- en verblijfplaats (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Westland (college)
Staat der Nederlanden (Minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
PROCESVERLOOP
Met een besluit van 7 februari 2019 heeft het college het verzoek van appellante van 10 december 2018 om terug te komen van het besluit om de betaling van de bezoldiging stop te zetten en het ontslagbesluit in te trekken, afgewezen.
Appellante heeft tegen dat besluit rechtstreeks beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. D. van Raaij hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 24 augustus 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.F.R. Eisenberger, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G.E.A. Frederix-Gianotten, advocaat en mr. B.J. Dekker.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet gewijzigd en Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) gaan heten. Op grond van artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft op besluiten of handelingen die vóór 1 januari 2020 bekend zijn gemaakt, het toen geldende recht van toepassing wat betreft de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen en wat betreft de behandeling van dat bezwaar of beroep.
1.1.
Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.2.
Appellante was vanaf 1 september 2008 werkzaam als applicatiebeheerder in dienst van de gemeente Westland. Op 26 maart 2013 heeft appellante zich ziekgemeld.
1.3.
Met zijn besluit van 6 februari 2015 heeft het college de betaling van de bezoldiging aan appellante gestaakt. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 24 augustus 2015 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 oktober 2017 [1] heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
1.4.
Met het besluit van 11 november 2015 heeft het college appellante medegedeeld dat de betaling van de bezoldiging nog niet zal worden hervat. Het college heeft het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.5.
Met een besluit van 19 december 2017 heeft het college met ingang van 20 december 2017 ontslag aan appellante verleend. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 juli 2018 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.6.
Op 16 maart 2018 heeft appellante het college verzocht om de betaling van de bezoldiging te hervatten. Bij besluit van 22 maart 2018 heeft het college dit verzoek afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 november 2018 ongegrond verklaard. Op het tegen dit besluit ingestelde beroep is nog niet beslist.
1.7.
Met een brief van 10 december 2018 heeft appellante het college verzocht het ontslagbesluit van 19 december 2017 in te trekken en de betaling van de bezoldiging met terugwerkende kracht vanaf 6 februari 2015 te hervatten. Bij besluit van 7 februari 2019 (bestreden besluit) heeft het college dit verzoek met toepassing van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder verwijzing naar de besluiten van 22 maart 2018 en 19 november 2018 afgewezen. Appellante heeft rechtstreeks beroep ingesteld tegen dit besluit.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat zij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Verzoek om terug te komen van een eerder besluit

4.1.
Het college heeft met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb op de aanvraag van appellante beslist. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van de beroepsgronden tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is. [2]
4.2.
Appellante heeft betoogd dat zij een verzoek heeft gedaan om terug te komen van het besluit om de betaling van haar bezoldiging voor de tweede keer stop te zetten, met als argument dat de door de burgemeester gedane toezeggingen moeten worden nagekomen. Dit betoog slaagt niet. In het verzoek van 10 december 2018 heeft de gemachtigde van appellante immers verzocht om de toezeggingen na te komen door middel van het intrekken van het ontslagbesluit en het hervatten van de betaling van de bezoldiging aan appellante vanaf 6 februari 2015. Het college mocht het verzoek opvatten als een verzoek terug te komen van het besluit van 6 februari 2015. Daarbij komt dat ook in bezwaar en beroep niet eerder is aangevoerd dat met het verzoek van 10 december 2018 werd verzocht om terug te komen van het besluit om de betaling van de bezoldiging voor de tweede keer stop te zetten. Het college heeft het verzoek van appellante van 10 december 2018, met verwijzing naar de besluiten van 22 maart 2018 en 19 november 2018, terecht afgewezen. Niet is gebleken dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

Redelijke termijn

5.1.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
5.2.
Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante.
5.3.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [3] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Voor deze zaak betekent dit het volgende.
5.4.
Vanaf de ontvangst door de rechtbank op 19 maart 2019 van het rechtstreeks beroep van appellante heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank en de behandeling van het hoger beroep door de Raad tot de datum van deze uitspraak 4 jaar en bijna 7 maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Noch de zaak zelf, die niet als complex is aan te merken, noch de opstelling van appellante geven aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar mag bedragen. De redelijke termijn is dus met bijna zeven maanden overschreden en dit leidt tot een aan appellante te betalen schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.
5.5.
Het voorgaande betekent dat vanwege overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter de Staat zal worden veroordeeld tot betaling aan appellante van een bedrag van € 1.000,-.
6. Wat hiervoor onder 5.1 tot en met 5.5 is overwogen, is aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante voor zover het betreft het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 418,50 voor verleende rechtsbijstand (1 punt voor het verzoek om schadevergoeding, met wegingsfactor 0,5). Dit betekent dat de Staat aan appellante een bedrag van € 418,50 verschuldigd is.

Conclusie en gevolgen

7. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
8. Voor een veroordeling tot vergoeding van overige proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade vanwege overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.000,-;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 418,50.
Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en J.J.T. van den Corput en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van L.C. van Bentum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2023.
(getekend) H. Lagas
(getekend) L.C. van Bentum

Voetnoten

2.CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872 en CRvB 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115.
3.CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.