ECLI:NL:CRVB:2023:187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onvoldoende motivering weigering ZW-uitkering per 10 december 2018
Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerker tankstation, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde bij eerdere beoordelingen dat zij geschikt was voor vijf andere functies, waaronder administratief medewerker, en weigerde haar ZW-uitkering toe te kennen per 10 december 2018. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het onderzoek zorgvuldig was en geen twijfel bestond over de medische situatie.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen werden onderschat en dat zij niet in staat was om de geselecteerde functies te vervullen. Zij onderbouwde dit met medische rapporten en stelde dat medicatie haar arbeidsgeschiktheid negatief beïnvloedde. Het UWV handhaafde haar standpunt dat zij geschikt was voor de functies en voerde een subsidiair standpunt aan dat zij in elk geval geschikt was voor de functie van administratief medewerker.
De Raad constateerde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet had gemotiveerd waarom de beperkingen per 10 december 2018 afweken van die per 29 oktober 2018, terwijl de periode slechts zes weken bedroeg. Dit vormde een motiveringsgebrek, waardoor het besluit in strijd was met artikel 7:12 Awb Pro. De Raad droeg het UWV op binnen zes weken het besluit te herstellen met een deugdelijke motivering over de beperkingen en geschiktheid voor de functies.
Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen het motiveringsgebrek in het besluit te herstellen binnen zes weken.