Uitspraak
22 3156 TW, 22/3157 TW
25 augustus 2022, 21/1994 en 21/1995 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving sinds 2010 een toeslag als alleenstaande op grond van de Toeslagenwet. Na onderzoek bleek zij per 16 maart 2017 te zijn gaan samenwonen met een partner, waardoor zij geen recht meer had op toeslag. Het UWV beëindigde de toeslag en vorderde onverschuldigd ontvangen bedragen terug, inclusief een boete wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat zij de wijziging in haar leefsituatie had moeten melden en dat het UWV terecht de toeslag had ingetrokken en teruggevorderd. Ook de boete werd passend geacht. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij niet hoefde te melden omdat haar partner geen inkomen had en dat haar financiële en medische situatie een dringende reden vormde om terugvordering en boete te vermijden.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. Volgens de Toeslagenwet geldt het recht op toeslag niet bij samenwonen met een partner geboren na 31 december 1971 zonder een kind jonger dan 12 jaar in het huishouden, ongeacht het inkomen van de partner. De schending van de inlichtingenplicht was terecht vastgesteld en de boete passend. De terugvordering werd niet beperkt wegens financiële of medische omstandigheden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van toeslag en boete worden bevestigd.