ECLI:NL:CRVB:2023:1938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende financiële duidelijkheid en geen vertrouwensgrond
Appellante, voormalig eigenaar van een tabakswinkel die in december 2019 werd gesloten, diende op 29 december 2020 een aanvraag om bijstand in. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees deze aanvraag af vanwege onvoldoende duidelijkheid over haar financiële situatie, mede doordat essentiële stukken zoals de liquidatiebalans van de onderneming ontbraken.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij mocht vertrouwen op een toezegging van het college dat de aanvraag zou worden toegewezen als zij de ontbrekende stukken zou aanleveren. Daarnaast stelde zij dat op basis van de overgelegde stukken het recht op bijstand wel vastgesteld kon worden. De Raad oordeelde dat het college geen toezegging had gedaan waarop appellante gerechtvaardigd kon vertrouwen en dat niet alle gevraagde stukken waren overgelegd.
Verder stelde de Raad vast dat zonder de liquidatiebalans en met onduidelijkheden over kasstortingen en bankbijschrijvingen ter grootte van ruim €47.000, het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De eerdere toekenning van bijstand per 18 maart 2021 betrof een andere aanvraag en periode. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen vanwege onvoldoende financiële duidelijkheid en geen gerechtvaardigd vertrouwen in toezeggingen.