ECLI:NL:CRVB:2023:200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toepassing kostendelersnorm bij hoofdverblijf zoon
In deze zaak stond centraal of de kostendelersnorm terecht werd toegepast op de bijstand van appellante met ingang van 31 oktober 2020. Het college stelde dat appellante één kostendelende medebewoner had, namelijk haar zoon, die op dat moment in de Basisregistratie Personen (BRP) op haar adres stond ingeschreven.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar zoon slechts tijdelijk bij haar verbleef en dat geen sprake was van zijn hoofdverblijf op het uitkeringsadres. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het hoofdverblijf moet worden vastgesteld aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, waarbij de duur van het verblijf slechts één van de factoren is.
De Raad stelde vast dat de zoon gedurende de relevante periode in de BRP op het adres van appellante stond ingeschreven, bij haar at en sliep, zijn persoonlijke spullen daar had, zijn oude huurwoning had opgezegd en geen alternatief verblijfsadres bezat. Ook waren er geen afspraken over de duur van zijn verblijf en was er geen zicht op een andere woning.
Op basis van deze feiten concludeerde de Raad dat de zoon zijn hoofdverblijf bij appellante had en dat het college de kostendelersnorm terecht toepaste. De intentie van appellante om haar zoon slechts tijdelijk te helpen deed hieraan niet af. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam werd bevestigd en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toepassing van de kostendelersnorm en verklaart het hoger beroep ongegrond.