Appellant, woonachtig in Nederland en werkzaam voor een Zwitserse werkgever op een schip onder Panamese vlag, betwistte de vaststelling van zijn AOW-pensioenoverzicht door de Sociale Verzekeringsbank (Svb). De kern van het geschil betrof de vraag of appellant verzekerd was voor de Nederlandse volksverzekeringen in de periode van 1 september 2007 tot en met 30 september 2015.
De Raad beoordeelde de situatie in drie periodes: tot 30 april 2010 viel appellant onder Verordening 1408/71 en was hij volgens de Zwitserse wetgeving verzekerd; van 1 mei 2010 tot 31 maart 2012 bleef deze verordening van toepassing, waarbij appellant op grond van een hardheidsclausule was uitgesloten; en vanaf 1 april 2012 viel appellant onder Verordening 883/2004, maar was hij eveneens op eigen verzoek uitgesloten van de Nederlandse volksverzekeringen.
De Raad verwierp het beroep van appellant dat hij gedurende de gehele periode verzekerd was voor de Nederlandse AOW, onder verwijzing naar Europese jurisprudentie en het feit dat appellant geen herziening van het besluit van 4 februari 2019 had gevraagd. Het pensioenoverzicht van de Svb werd daarmee als juist bevestigd en het hoger beroep werd afgewezen.