Appellante, een zelfstandig sportinstructrice die door de coronapandemie haar werk verloor, vroeg een tegemoetkoming aan op grond van de TONK-regeling vanwege haar woonkosten van €800 per maand die zij aan haar ouders moest betalen. Het college wees de aanvraag af omdat zij meende dat appellante geen daadwerkelijke woonkosten had en voldoende draagkracht bezat om de kosten te betalen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het college ten onrechte de gewijzigde beleidsregel TONK niet heeft toegepast en onterecht heeft aangenomen dat de woonkosten zich niet voordeden. De huurovereenkomst bevestigt een juridische betalingsverplichting, ook al betaalde appellante feitelijk niet. De Raad stelt dat de TONK-regeling juist bedoeld is voor situaties met plotseling inkomensverlies waardoor woonlasten niet betaald kunnen worden.
Verder oordeelt de Raad dat het college bij de draagkrachtberekening terecht geen rekening hoefde te houden met opslagkosten en aflossingsbetalingen, conform de beleidsregel. Wel had appellante recht op een gedeeltelijke tegemoetkoming van €45,13 per maand over januari tot en met september 2021. De Raad vernietigt het bestreden besluit en het vonnis van de rechtbank, herroept het oorspronkelijke besluit en kent appellante een totale tegemoetkoming van €406,17 toe. Het betaalde griffierecht wordt vergoed, maar proceskosten niet.