ECLI:NL:CRVB:2023:2147
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken verzekering en wachttijd
Appellant heeft sinds 1998 meerdere keren een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering, waaronder de WIA, maar het UWV heeft deze steeds afgewezen omdat appellant niet verzekerd was voor de WIA en niet de vereiste wachttijd van 104 weken arbeidsongeschiktheid heeft doorlopen.
Na een dienstverband van november 2013 tot mei 2014 en aansluitend een WW-uitkering en ziekengeld tot november 2014, eindigde de verzekering voor de WIA omdat appellant geen dienstverband meer had en het ziekengeld stopte. De rechtbank Oost-Brabant heeft deze afwijzing bevestigd en de Raad onderschrijft dit oordeel.
Appellant voerde aan dat hij door een bedrijfsongeval en mishandelingen arbeidsongeschikt is, maar dit is door het UWV en de rechter niet gevolgd. Ook zijn beroep op schending van mensenrechten is niet concreet onderbouwd en faalt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet terugbetaald.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant niet verzekerd was en niet 104 weken arbeidsongeschikt is geweest.