ECLI:NL:CRVB:2017:2134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering bij routinematig Wsw-werk
Appellant was werkzaam als productiemedewerker in Wsw-verband en meldde zich ziek wegens lichamelijke en psychische klachten. Het UWV stelde op basis van medisch onderzoek vast dat appellant vanaf 10 november 2014 in staat was zijn arbeid te verrichten en beëindigde de Ziektewetuitkering. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank zijn gronden niet volledig had besproken en dat het medisch onderzoek onvoldoende was, onderbouwd met medische stukken uit 1998 en 2001. De Raad toetste het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die concludeerde dat de klachten van appellant, waaronder postcommotionele klachten en cognitieve beperkingen, geen overschrijding van de belastbaarheid vormden bij het lichte routinematige werk in Wsw-verband.
De Raad vond geen aanleiding om aan deze beoordeling te twijfelen en wees erop dat een Wsw-indicatie een ander beoordelingskader kent dan een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in het kader van de Ziektewet. Ook de procedurele klachten over de zitting werden verworpen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 10 november 2014.