ECLI:NL:CRVB:2023:2158
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Intrekking hoger beroep na tegemoetkoming UWV en vergoeding schade redelijke termijn
Appellant stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake een WIA-uitkering. Tijdens de procedure werd een verzekeringsarts geraadpleegd en bracht een rapport uit, waarna het UWV op 9 mei en 13 juni 2023 gewijzigde beslissingen op bezwaar nam die volledig tegemoetkwamen aan de bezwaren van appellant.
Naar aanleiding hiervan trok appellant het hoger beroep in en verzocht de Raad om het UWV te veroordelen in proceskosten, schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn en vergoeding van wettelijke rente. De Raad stelde vast dat de redelijke termijn van vijf jaar en ruim twee maanden was overschreden, terwijl maximaal vier jaar redelijk was.
De Raad veroordeelde de Staat tot een immateriële schadevergoeding van €1.500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn en het UWV tot vergoeding van de wettelijke rente en proceskosten van in totaal €4.981,70, inclusief griffierecht. De reiskosten voor het bijwonen van de hoorzittingen werden deels vergoed, terwijl kosten voor bezoek aan rechtsbijstandverlener niet werden vergoed.
De uitspraak werd gedaan door E.J.J.M. Weyers namens de Centrale Raad van Beroep op 2 november 2023.
Uitkomst: Het hoger beroep werd ingetrokken na tegemoetkoming van het UWV, met veroordeling van de Staat tot vergoeding van immateriële schade en van het UWV tot proceskostenvergoeding.