ECLI:NL:CRVB:2023:2162
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding op AOW-uitkering wegens executoriaal derdenbeslag
Appellant ontvangt een lagere AOW-uitkering omdat de Sociale verzekeringsbank (Svb) een bedrag inhoudt op grond van een executoriaal derdenbeslag door een deurwaarder. Appellant betwist de rechtmatigheid van het beslag en stelt dat de Svb een hogere beslagvrije voet moet hanteren om onder het sociaal minimum te blijven.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de Svb het beslag moet uitvoeren zonder de rechtmatigheid ervan te toetsen. De Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de beoordeling van de geldigheid van het beslag en de beslagvrije voet aan de civiele rechter toekomt.
Verder oordeelt de Raad dat het verzoek van appellant om digitaal de zitting bij te wonen niet tot een schending van artikel 6 EVRM Pro leidt, omdat appellant in hoger beroep alsnog de mogelijkheid kreeg via een beeldverbinding deel te nemen, maar hiervan geen gebruik maakte.
Het hoger beroep wordt afgewezen, de aangevallen uitspraak bevestigd en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de inhouding op de AOW-uitkering wegens executoriaal derdenbeslag en wijst het hoger beroep af.