ECLI:NL:CRVB:2023:2169
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf en afwijzing eerdere ingangsdatum
Appellant ontving bijstand sinds 2017 en stond sinds 2018 ingeschreven op het uitkeringsadres, een kamer gehuurd van zijn ex-zwager. Na een melding dat appellant woonde bij zijn ex-vrouw, stelde het college een onderzoek in. Uit het onderzoek bleek dat appellant zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had, wat leidde tot intrekking van de bijstand per 1 augustus 2020.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres en dat hij zijn inlichtingenverplichting niet had geschonden. De Raad oordeelde dat het zwaartepunt van zijn persoonlijke leven niet op het uitkeringsadres lag, mede gelet op zijn verklaringen en het ontbreken van persoonlijke eigendommen tijdens het huisbezoek. Hierdoor was de intrekking terecht.
Daarnaast werd een verzoek tot toekenning van bijstand met ingang van een eerdere datum dan de melding afgewezen. Appellant kon geen bijzondere omstandigheden aannemelijk maken die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen. Eerdere aanvragen waren mogelijk en hadden tot besluitvorming geleid. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraken en wees het beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf en wijst het verzoek om een eerdere ingangsdatum af.