Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Korošec. [1]
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) omdat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering per 1 januari 2021 na een advies van het UWV dat appellante niet langer meer dan 45% arbeidsongeschikt was. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij volledig arbeidsongeschikt is en dat het UWV-onderzoek onzorgvuldig was, mede omdat het rapport van haar fysiotherapeut onvoldoende was meegenomen. De Raad toetste de zorgvuldigheid van het UWV-onderzoek, de procespositie van appellante en de inhoudelijke beoordeling van haar arbeidsongeschiktheid.
De Raad concludeerde dat het UWV-onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen sprake was van een ongelijke procespositie. De inhoudelijke beoordeling van het UWV, waaronder de classificatie van beperkingen zoals knielen en hurken, werd niet betwist door voldoende nieuwe feiten of medische gegevens. De Raad zag daarom geen aanleiding om een onafhankelijke deskundige te benoemen.
Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de nabestaandenuitkering per 1 januari 2021 bleef in stand. Appellante kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak bevestigt de rechtmatigheid van het besluit van de Svb op basis van het UWV-advies.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering per 1 januari 2021 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.