ECLI:NL:CRVB:2023:2278

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 november 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
22/700 WMO15
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015Artikel 3 EVRM
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing hoger beroep tegen beëindiging opvang WMO 2015 door colleges Haarlem en Den Haag

De appellant voerde aan dat hij niet in staat was om op eigen kracht in onderdak te voorzien en dat colleges Haarlem en Den Haag onterecht de opvang hadden beëindigd of geweigerd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet zelf voor onderdak kon zorgen. Het dossier bevatte geen aanwijzingen voor dergelijke problemen.

Hoewel college 1 later alsnog opvang verstrekte, werd dit als een fout beoordeeld en leidde dit niet tot een ander oordeel. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen omdat er geen toezeggingen of gedragingen waren waaruit appellant redelijkerwijs mocht afleiden dat opvang na 1 juli 2020 zou worden voortgezet. Tevens wees de Raad het beroep op artikel 3 EVRM Pro af, omdat geen sprake was van onmenselijke of vernederende behandeling en appellant niet bijzonder kwetsbaar was.

De Raad bevestigde de aangevallen uitspraken van de rechtbanken Noord-Holland en Den Haag, waarmee de colleges terecht de opvang beëindigden dan wel de aanvraag afwezen. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierechten.

Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; colleges waren niet gehouden opvang voort te zetten of toe te wijzen.

Uitspraak

22.700 WMO15-PV, 22/2094 WMO15-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraken op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Noord-Holland van 21 januari 2022, 20/5320 (aangevallen uitspraak 1) en de rechtbank Den Haag van 18 mei 2022, 20/7303 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Haarlem (college 1)
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college 2)
Datum uitspraak: 20 november 2023
Zitting heeft: M.A.H. van Dalen-van Bekkum, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: R.R. Olde Engberink
Ter zitting is appellant verschenen, bijgestaan door mr. drs. ir. G.A.S. Maduro, advocaat. Namens college 1 zijn S. el Jarroudi en B.E. Robben verschenen. Namens college 2 is mr. J.M.N. Packbier verschenen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt aangevallen uitspraak 1;
  • bevestigt aangevallen uitspraak 2.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Over beide hoger beroepen
1. De Raad volgt niet het betoog dat appellant niet in staat is op eigen kracht in onderdak te voorzien. Appellant heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat hij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak te voorzien. Het dossier bevat geen aanknopingspunten voor deze problemen. Dat inmiddels alsnog door college 1 aan appellant opvang is verstrekt, leidt niet tot een ander oordeel. College 1 heeft namelijk toereikend uitgelegd dat deze verstrekking een fout was. Deze uitleg wordt ook gesteund door het trajectplan waaruit niet volgt dat appellant voldoet aan de voorwaarden voor opvang. Dat hij voldoet aan deze voorwaarden, volgt ook niet uit de omstandigheid dat het hem niet is gelukt zelfstandig een woning te krijgen. Dit wijst veeleer op schaarste op de woningmarkt. De Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 is niet bedoeld om hiervoor een oplossing te bieden.
Aanvullend over het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1
2. De Raad is van oordeel dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt, omdat niet aannemelijk is dat van de zijde van college 1 toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit appellant redelijkerwijs kon en mocht afleiden dat college 1 de opvang na 1 juli 2020 zou voort zetten. Het dossier bevat hiervoor geen aanknopingspunten. Bovendien heeft college 1 in het laatste verlengingsbesluit vermeld dat de opvang op 1 juli 2020 zou eindigen.
3. Het beroep op artikel 3 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt niet. Van onmenselijke of vernederende behandeling is in dit geval geen sprake. Verder kan uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geen recht op huisvesting worden afgeleid. Uit die rechtspraak volgt dat elke positieve verplichting om daklozen van onderdak te voorzien moet worden beperkt. Slechts in bijzondere omstandigheden kan een verplichting om onderdak te verschaffen aan bijzonder kwetsbare personen voortvloeien uit het EVRM. [1] Niet gebleken is dat appellant bijzonder kwetsbaar is.
Conclusie beide hoger beroepen
4. Dit betekent dat de hoger beroepen niet slagen. Feitelijk betekent dit dat college 1 niet gehouden was de opvang na 1 juli 2020 voort te zetten en college 2 de aanvraag voor opvang heeft kunnen afwijzen. Appellant krijgt in de hoger beroepen dus geen gelijk.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook de betaalde griffierechten niet terug.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) R.R. Olde Engberink (getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten