Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan omdat hij op zijn achttiende verjaardag geen arbeidsvermogen had door ASS en een sociaal-emotionele achterstand. Het UWV stelde vast dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam was, omdat er mogelijkheden waren voor ontwikkeling en verbetering via behandeling en begeleiding. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel.
De Raad overwoog dat duurzaamheid betekent dat er geen perspectief meer is op verbetering van arbeidsparticipatie. Het UWV hoefde niet te bewijzen dat appellant in de toekomst arbeidsvermogen zou krijgen, maar wel aannemelijk maken dat dit niet uitgesloten was. Uit medische rapporten bleek dat appellant onder begeleiding en behandeling vaardigheden kon ontwikkelen en dat er geen ernstige cognitieve beperkingen waren.
Hoewel appellant later alsnog een Wajong-uitkering kreeg vanaf november 2021, en de behandeling uiteindelijk niet het gewenste resultaat had, betekent dit niet dat de oorspronkelijke inschatting onjuist was. De Raad concludeert dat het ontbreken van arbeidsvermogen op de datum in geding niet duurzaam was, en bevestigt daarmee de weigering van de uitkering.