Appellant, voormalig magazijnmedewerker, meldde zich in 2018 ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Na een eerstejaars Ziektewet-beoordeling in 2019 werd de uitkering beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen in andere functies. In 2021 meldde appellant zich opnieuw ziek met rugklachten, corona-gerelateerde klachten en psychische problematiek. Het UWV stelde vast dat er geen recht op Ziektewet-uitkering bestond omdat de beperkingen niet waren toegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat hij onvoldoende medische onderbouwing leverde voor een toename van beperkingen. In hoger beroep herhaalde appellant zijn stellingen over toegenomen rugklachten en psychische problemen, waaronder een gokverslaving en depressieve stoornis. De Raad stelde vast dat volgens het gewijzigde toetsingskader bij nieuwe ziekmelding na de eerstejaars Ziektewet-beoordeling de weigering van uitkering alleen kan worden gebaseerd als ten minste drie functies met voldoende arbeidsplaatsen geschikt zijn gebleven en de arbeidsgeschiktheid minimaal 65% is.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht oordeelde dat de beperkingen niet waren toegenomen, mede omdat de psychische problematiek ook in 2019 bestond en appellant geen objectieve medische gegevens over de vermeende toename van rugklachten had overgelegd. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.