ECLI:NL:CRVB:2023:240
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens geen toename medische beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak
Appellante, die sinds 2012 psychische klachten heeft en werkzaam was als sociaal dienstverlener, verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV weigerde deze toe te kennen omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg en er geen toename was van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de eerdere beoordeling.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de verzekeringsartsen op hun eigen oordeel mochten afgaan. Appellante stelde in hoger beroep dat het onderzoek onzorgvuldig was, dat de hoorplicht was geschonden en dat haar beperkingen waren onderschat, mede door een hersentumor.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 55 van Pro de Wet WIA het toepasselijke kader is en bevestigde dat geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde oorzaak binnen vijf jaar. Het medisch onderzoek was zorgvuldig, de hoorplicht was niet geschonden en de beperkingen waren adequaat beoordeeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak.