ECLI:NL:CRVB:2023:2428
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking WAO-uitkering en terugvordering na niet-melden betaalde seksuele diensten
Appellante ontvangt sinds 2003 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na melding dat zij sinds 2008 betaalde seksuele diensten verricht, startte het UWV een onderzoek. Op basis hiervan trok het UWV in 2019 haar uitkering in en vorderde onterecht ontvangen bedragen terug over 2008-2019.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad vernietigde dit in hoger beroep en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit te nemen. Het UWV beperkte vervolgens de intrekking en terugvordering tot 2016-2019. Appellante betwistte de terugvordering en overhandigde medische stukken.
Na nader onderzoek en een aangepaste beslissing beperkte het UWV de terugvordering tot 2016 tot 19 april 2018. De Raad verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en vernietigde het, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht vergoeden.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2022 wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het besluit van 23 juni 2023 ongegrond, met veroordeling van het UWV in proceskosten.