ECLI:NL:CRVB:2023:2428

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2023
Publicatiedatum
21 december 2023
Zaaknummer
22/3737 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:113 AwbArt. 8:57 AwbArt. 6:19 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking WAO-uitkering en terugvordering na niet-melden betaalde seksuele diensten

Appellante ontvangt sinds 2003 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid. Na melding dat zij sinds 2008 betaalde seksuele diensten verricht, startte het UWV een onderzoek. Op basis hiervan trok het UWV in 2019 haar uitkering in en vorderde onterecht ontvangen bedragen terug over 2008-2019.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad vernietigde dit in hoger beroep en gaf het UWV opdracht een nieuw besluit te nemen. Het UWV beperkte vervolgens de intrekking en terugvordering tot 2016-2019. Appellante betwistte de terugvordering en overhandigde medische stukken.

Na nader onderzoek en een aangepaste beslissing beperkte het UWV de terugvordering tot 2016 tot 19 april 2018. De Raad verklaarde het beroep tegen het eerste besluit gegrond en vernietigde het, maar verklaarde het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht vergoeden.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2022 wordt gegrond verklaard en vernietigd, het beroep tegen het besluit van 23 juni 2023 ongegrond, met veroordeling van het UWV in proceskosten.

Uitspraak

22.3737 WAO, 23/3248 WAO

Datum uitspraak: 21 december 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 6 oktober 2022
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Bij uitspraak van 15 augustus 2022 (ECLI:NL:CRVB:2022:1822) heeft de Raad (voor zover hier van belang) de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 2 november 2021 (20/390, 21/2196 en 21/2197) vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 29 november 2019 ongegrond is verklaard, het beroep tegen het besluit van 29 november 2019 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 maart 2019 tot intrekking van de WAO-uitkering en het terugvorderingsbesluit van 29 maart 2019, met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen. De Raad heeft daarbij bepaald dat met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen het nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld. De Raad heeft bij genoemde uitspraak het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante en bepaald dat het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht vergoedt.
Het Uwv heeft op 6 oktober 2022 een nieuwe beslissing op het bezwaar genomen.
Namens appellante heeft mr. S. Maachi, advocaat, hiertegen beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nader gereageerd op de gronden van appellante.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Maachi. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet.
Het onderzoek ter zitting is geschorst.
Het Uwv heeft op 23 juni 2023 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, geregistreerd onder nummer 23/3248 WAO. Appellante heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna ook het Uwv weer heeft gereageerd.
Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Awb is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Voor een uitgebreid overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar zijn uitspraak van 15 augustus 2022. De Raad volstaat nu met het volgende.
1.2.
Appellante heeft sinds 8 oktober 2003 recht op een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.3.
Naar aanleiding van een melding door het Haags Economisch Interventie Team (HEIT) dat appellante sinds 2008 seksuele diensten verricht tegen betaling, heeft een themaonderzoeker van het Uwv een onderzoek ingesteld. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een Onderzoeksrapport Handhaving Themaonderzoek van 13 februari 2019.
1.4.
Op basis van de resultaten van het onderzoek heeft het Uwv, voor zover hier van belang, bij besluit van 21 maart 2019 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken per 3 februari 2008. Bij besluit van 29 maart 2019 heeft het Uwv de over de periode van 8 oktober 2008 tot en met 31 maart 2019 ten onrechte ontvangen WAO-uitkering ter hoogte van in totaal
€ 195.902,62 teruggevorderd. Bij besluit van 29 november 2019 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard. Het Uwv heeft aan de intrekking van de WAO-uitkering ten grondslag gelegd dat is gebleken dat appellante niet heeft gemeld dat zij vanaf 3 februari 2008 seksuele diensten tegen betaling heeft verricht. Omdat appellante onvoldoende informatie over deze werkzaamheden en de daarmee gegenereerde inkomsten heeft verschaft, is het recht op een WAO-uitkering over deze periode niet vast te stellen. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het besluit van 29 november 2019 ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft de Raad geoordeeld dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante vanaf 1 januari 2016 seksuele diensten tegen betaling heeft verricht, dat appellante deze werkzaamheden niet heeft doorgegeven aan het Uwv en daarmee de inlichtingenverplichting van de WAO heeft geschonden, en dat als gevolg daarvan het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. Vervolgens heeft de Raad de onder het procesverloop weergegeven uitspraak gedaan.
2. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft het Uwv bij besluit van 6 oktober 2022 (bestreden besluit 1) het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 21 maart 2019 en 29 maart
2019 alsnog gegrond verklaard, de WAO-uitkering van appellante per 1 januari 2016 ingetrokken op de grond dat het recht niet vastgesteld kan worden en de over de periode van
1 januari 2016 tot en met 31 maart 2019 ten onrechte ontvangen WAO-uitkering ter hoogte van in totaal € 63.061,54 teruggevorderd.
3.1.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1. Appellante heeft gesteld dat de berekening van de terugvordering over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2019 onjuist is. Zij heeft deze stelling onderbouwd met, onder meer, diverse medische stukken waaruit volgens appellante zou blijken dat zij vanaf 1 januari 2016 als gevolg van zware medische ingrepen nooit activiteiten heeft kunnen ontplooien.
3.2.
In reactie op de door appellante overgelegde medische stukken heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 1 juni 2023 gerapporteerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het standpunt ingenomen dat appellante vanaf de ingreep aan haar linkerknie op 19 april 2018 tot eind mei 2018 geen werkzaamheden heeft kunnen verrichten. Ter zitting van de Raad heeft het Uwv zich bereid verklaard de terugvordering vanaf 19 april 2018 te laten vervallen. Appellante heeft te kennen gegeven zich daarmee te kunnen verenigen.
3.3.
Het Uwv heeft op 23 juni 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar (bestreden besluit 2) genomen. Het Uwv heeft de intrekking van de WAO-uitkering per 1 januari 2016 op de grond dat het recht niet kan worden vastgesteld gehandhaafd, maar de terugvordering beperkt tot de periode van 1 januari 2016 tot 19 april 2018 en deze nader vastgesteld op € 45.192,55.
3.4.
In reactie op bestreden besluit 2 heeft appellante gesteld dat het Uwv, omdat appellante ook te maken heeft met een terugvordering van het ABP-invaliditeitspensioen, in bestreden besluit 2 nadrukkelijk moet omschrijven dat de vermindering van de terugvordering over de periode van 19 april 2018 tot en met 31 maart 2019 te maken heeft met haar arbeidsongeschiktheid in die periode. Ook heeft appellante gesteld dat het Uwv de proceskosten dient te vergoeden. Zij heeft geen verdere opmerkingen bij bestreden besluit 2.
3.5.
Het Uwv heeft te kennen gegeven in bestreden besluit 2 niet de door appellante gewenste omschrijving te zullen opnemen. Het Uwv heeft in dat kader toegelicht dat het in bestreden besluit 2 weliswaar de terugvordering vanaf 19 april 2018 heeft laten vervallen, maar zich nog steeds op het standpunt stelt dat appellante vanaf 1 januari 2016 geen recht heeft op een WAO-uitkering omdat het recht niet is vast te stellen.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1.
Op grond van artikel 6:19 van Pro de Awb heeft het beroep mede betrekking op bestreden besluit 2. Nu bij dit besluit bestreden besluit 1 niet is gehandhaafd dient het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond te worden verklaard en zal dit besluit worden vernietigd.
4.2.
Nu het nieuwe besluit niet geheel tegemoet komt aan de bezwaren van appellante, dient het nieuwe besluit met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb in de procedure betrokken te worden en wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen bestreden besluit 2.
4.3.
Ten aanzien van bestreden besluit 2 wordt als volgt overwogen.
4.3.1.
De Raad heeft in de uitspraak van 15 augustus 2022 als eindoordeel gegeven dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante vanaf 1 januari 2016 seksuele diensten tegen betaling heeft verricht, dat appellante deze werkzaamheden niet heeft doorgegeven aan het Uwv en daarmee de inlichtingenverplichting van de WAO heeft geschonden, en dat als gevolg daarvan het recht op uitkering niet kan worden vastgesteld. De grond van appellante dat in bestreden besluit 2 opgenomen moet worden dat de vermindering van de terugvordering over de periode van 19 april 2018 tot en met 31 maart 2019 te maken heeft met haar arbeidsongeschiktheid in die periode, komt neer op het opnieuw openen van de discussie over dat geschilpunt. Deze grond kan dan ook niet meer aan de orde komen. De omvang van het geding is immers beperkt tot de vraag of het Uwv met bestreden besluit 2 op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de Raad.
4.3.2.
Appellante heeft geen gronden aangevoerd tegen de berekening van het in bestreden besluit 2 opgenomen terugvorderingsbedrag.
4.4.
Uit 4.3 volgt dat het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is.
5. Bij bestreden besluit 2 heeft het Uwv, om hem moverende redenen en over een langere periode dan strikt genomen voortvloeit uit het rapport van 1 juni 2023 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, bestreden besluit 1 niet gehandhaafd wat betreft de terugvordering. Daarom bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellante in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor verleende rechtsbijstand in beroep begroot op € 2.092,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de reactie op bestreden besluit 2, met een waarde per punt van € 837,-). Ook dient het Uwv het door appellante betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- verklaart het beroep tegen het besluit van 6 oktober 2022 gegrond en vernietigt dat besluit;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 juni 2023 ongegrond;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.092,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 50,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van S. Pouw als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2023.
(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen
(getekend) S. Pouw