Uitspraak
21.4380 WAO, 21/4381 WAO, 21/4382 WAO
2 november 2021, 20/390, 21/2196, 21/2197 (aangevallen uitspraak)
mr. J.H. van Riet.
OVERWEGINGEN
WAO-uitkering per 3 februari 2008. Bij besluit van 16 januari 2020 (besluit 4) heeft het Uwv geweigerd terug te komen van bestreden besluit 1, op de grond dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die er toe leiden dat dit besluit onjuist zou zijn. Bij beslissing op bezwaar van 29 januari 2021 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 16 januari 2020 ongegrond verklaard.
13 februari 2019, volgt dat het Uwv de conclusie dat appellante vanaf 3 februari 2008 seksuele diensten tegen betaling heeft verricht heeft gebaseerd op de volgende bevindingen. Nadat via het op [naam site] aangetroffen telefoonnummer [telefoonnummer] een afspraak was gemaakt, werd appellante op 10 juni 2016 door medewerkers van het HEIT aangetroffen op haar woonadres [adres] te [woonplaats] . Daarbij heeft appellante zich tegenover deze medewerkers gelegitimeerd met haar rijbewijs. Appellante verklaarde tegenover deze medewerkers (onder meer) dat zij sinds 2008 heeft gewerkt vanuit haar woning. Uit door appellante overgelegde bankafschriften blijkt dat van 4 januari 2016 tot en met 17 oktober 2018 contante stortingen werden verricht op de bankrekeningen van appellante ten bedrage van € 48.325,25. De kosten voor telefoonnummer [telefoonnummer] worden betaald vanaf een bankrekening van appellante en dit is ook het nummer dat op 10 juni 2016 werd gebeld door een medewerker van het HEIT om een afspraak te maken. Uit informatie van [naam B.V.] B.V., de holdingmaatschappij van [naam site] , blijkt dat aan de op 3 februari 2008 gemaakte advertentie op [naam site] het telefoonnummer [telefoonnummer] is gekoppeld. De advertentie op [naam site] werd betaald vanaf een bankrekening van appellante.
€ 47.030,- van inkomsten op haar bankrekeningen (zoals haar WAO-uitkering, haar
ABP-nabestaandenuitkering, de Wajong-uitkering van haar zoon en een letselschade-uitkering ter hoogte van € 17.000,-), die (later weer) werden gestort op haar bankrekeningen. Ter onderbouwing daarvan heeft appellante gewezen op het reeds in de bezwaarfase overgelegde overzicht van contante opnames en stortingen op haar bankrekeningen. Nog daargelaten het feit dat de in het overzicht opgenomen letselschade-uitkering al in 2013 op haar bankrekening is gestort en daarom niet relevant is voor de periode vanaf 1 januari 2016, kan uit dit overzicht niet afgeleid worden dat er een verband bestaat tussen de (gestelde) opnames en latere stortingen. Aan dit overzicht kan dan ook niet de waarde toegekend worden die appellante daaraan toegekend zou willen zien. Tot slot heeft appellante gesteld dat niet zij maar haar zoon de controle had over haar bankrekeningen, wat volgens appellante blijkt uit het feit dat haar bankpassen met pincodes zijn verkocht aan fraudeurs. Ook deze stelling is onvoldoende om als tegenbewijs te dienen. Daartoe geldt dat zich onder de gedingstukken alleen een aangifte uit 2008/2009 bevindt waarin vermoedens staan dat de zoon van appellante betrokken was bij malversaties op de bankrekening van appellante. Daarnaast staan de bankrekeningen (in ieder geval vanaf 1 januari 2016) op naam van appellante en is niet gebleken van andere gemachtigden of misbruik van de bankrekeningen door haar zoon.
1 april 2019 wordt betaald op voorschotbasis. Deze grond slaagt niet.