Appellante werkte als verzorgende en meldde zich ziek in juli 2019, waarna zij een Ziektewetuitkering ontving. Na een zwangerschapsuitkering en een nieuwe ziekmelding met depressieve klachten, stelde het UWV vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarna de Ziektewetuitkering werd beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, inclusief een Functionele Mogelijkhedenlijst en arbeidsdeskundig onderzoek. De geselecteerde functies werden als medisch geschikt beoordeeld.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat zij niet lichamelijk was onderzocht en dat haar fysieke beperkingen, waaronder fibromyalgie, waren onderschat. De Raad oordeelde dat het ontbreken van een lichamelijk onderzoek niet onzorgvuldig was, gelet op de medische situatie en de beschikbare informatie, en dat het UWV de belastbaarheid voldoende had gemotiveerd.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.