ECLI:NL:CRVB:2023:251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang in WAJONG-uitkering
Appellante stelde hoger beroep in tegen een beslissing van het UWV inzake haar WAJONG-uitkering. Tijdens de procedure kwam het UWV appellante tegemoet met een gewijzigde beslissing op bezwaar, waardoor feitelijk geen geschil meer bestond. Omdat appellante het hoger beroep niet introk, verklaarde de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een procesbelang.
De Raad oordeelde dat het UWV gehouden is tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, conform eerdere jurisprudentie. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de gehele procedure met 17 maanden was overschreden, wat leidde tot een schadevergoeding van €1.500,-. Deze vergoeding werd verdeeld tussen het UWV en de Staat op basis van de duur van de bestuurlijke en rechterlijke fases.
Verder veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de door appellante gemaakte proceskosten voor bezwaar, beroep en hoger beroep, inclusief reiskosten. Ook werd de Staat veroordeeld tot een deel van de proceskosten gerelateerd aan het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het griffierecht werd eveneens aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang; vergoeding van wettelijke rente, schadevergoeding en proceskosten wordt toegewezen.