Appellant maakte bezwaar tegen besluiten van het UWV omtrent de toekenning en terugvordering van WGA-, WW- en IVA-uitkeringen. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en handhaafde de besluiten. In hoger beroep handhaafde appellant zijn gronden niet, maar verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De Raad concludeerde dat de redelijke termijn in de procedures bezwaar, beroep en hoger beroep gezamenlijk met meer dan een jaar werd overschreden, waarbij de overschrijding volledig aan de bestuursrechter kan worden toegerekend. De procedures betroffen grotendeels hetzelfde onderwerp en werden gelijktijdig behandeld.
Op grond van vaste jurisprudentie werd een vergoeding van €1.500 toegekend, gelijk aan €500 per half jaar overschrijding. Tevens werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van appellant voor de behandeling van het verzoek om schadevergoeding, begroot op €418,50.
De aangevallen uitspraken werden bevestigd, waardoor de primaire besluiten van het UWV in stand blijven. Appellant krijgt het griffierecht niet terug, maar wel een vergoeding voor de proceskosten van de rechtsbijstand voor het schadevergoedingsverzoek.