Uitspraak
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 16 januari 2020 ongegrond.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Betrokkene was van 1 april 1999 tot en met 30 juni 2017 niet verzekerd voor de AOW omdat zij onder de Duitse socialezekerheidswetgeving viel op grond van Verordening 1408/71 en vanaf 1 mei 2010 Verordening 883/2004. De Sociale verzekeringsbank (Svb) stelde dat betrokkene geen aanvraag had ingediend om onder de Nederlandse wetgeving te vallen, waardoor een korting op het AOW-pensioen werd toegepast.
De rechtbank Overijssel vernietigde dit besluit en oordeelde dat de Svb had moeten beoordelen of een te late aanvraag verschoonbaar was, omdat het strikte vasthouden aan de regels tot onevenredige gevolgen leidde. De Svb ging in hoger beroep en stelde dat de toepasselijke wetgeving objectief wordt bepaald door de coördinatieverordeningen en dat het evenredigheidsbeginsel niet kan afwijken van dwingendrechtelijke EU-regels.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dat de Duitse wetgeving terecht van toepassing was en dat de nationale procedurele autonomie niet geldt voor de toepasselijkheid van deze EU-coördinatieregels. De Raad oordeelde dat het evenredigheidsbeginsel niet leidt tot een andere uitkomst en dat de Svb terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. Wel bood de Svb betrokkene de mogelijkheid om zich vrijwillig te verzekeren voor de periode 1 mei 2010 tot 30 juni 2017 zonder extra premie, met een verhoging van het AOW-pensioen vanaf de ingangsdatum.
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van EU-socialezekerheidscoördinatieregels en beperkt de ruimte voor nationale afwijkingen, maar erkent de mogelijkheid van vrijwillige verzekering om onevenredige gevolgen te verzachten.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de korting op het AOW-pensioen blijft van toepassing, met mogelijkheid tot vrijwillige verzekering zonder extra premie.