Appellant, voormalig procesoperator, ontving een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA, vastgesteld op een arbeidsongeschiktheidspercentage van 36,40%. Na bezwaar werd dit besluit door het UWV gehandhaafd en de rechtbank Noord-Holland verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onzorgvuldig onderzoek had verricht en onvoldoende rekening had gehouden met zijn medische klachten en beperkingen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat voor ontvankelijkheid van hoger beroep een procesbelang vereist is. Dit betekent dat het resultaat dat appellant nastreeft feitelijke betekenis moet hebben. Omdat appellant inmiddels een WGA-loonaanvullingsuitkering ontvangt met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%, en de hoogte van de uitkering gelijk is gebleven, kan het hoger beroep geen hogere uitkering opleveren.
Appellant erkende ter zitting dat het hem vooral te doen is om een principiële uitspraak over zijn arbeidsongeschiktheid, maar een louter principieel belang is onvoldoende voor procesbelang. Ook een vergoeding van proceskosten kon niet worden toegewezen omdat het besluit waarover appellant spreekt geen onderdeel van het geding is. De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees proceskostenveroordeling af.