Betrokkene, een minderjarige met het Bosch-Boonstra-Schaaf optische atrofie syndroom (BBSOAS), diende op 18 januari 2019 een aanvraag in voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het CIZ wees deze aanvraag af omdat destijds niet kon worden vastgesteld dat betrokkene blijvend was aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, stellende dat betrokkene wel blijvend 24 uur zorg nodig had.
Het CIZ ging in hoger beroep en voerde aan dat de aard en ernst van de epilepsie en het cognitief functioneren nog onduidelijk waren, en dat zorg tot 8 jaar gebruikelijke zorg zou zijn. Betrokkene had in de beoordelingsperiode echter nog geen epilepsieklachten. Uit medische adviezen en ontwikkelingsonderzoeken bleek dat betrokkene ondanks enige ontwikkeling een intensieve en blijvende zorgbehoefte had.
De Raad oordeelde dat het standpunt van het CIZ niet kon worden gedragen door de medische onderbouwing en bevestigde dat betrokkene ten tijde van het bestreden besluit al blijvend was aangewezen op 24 uur per dag zorg in de nabijheid. De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het CIZ werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen en gaf het CIZ opdracht om te onderzoeken of de zorgbehoefte onder de gebruikelijke zorg valt. Tevens veroordeelde de Raad het CIZ in de proceskosten van betrokkene.