Appellante had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om haar WIA-uitkering per 19 december 2019 te beëindigen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak.
De Raad stelt vast dat het UWV in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 2 september 2019 reeds veel beperkingen heeft opgenomen, mede naar aanleiding van de psychische klachten van appellante. Volgens de wet kunnen alleen beperkingen die het gevolg zijn van ziekte of gebrek worden meegenomen. De Raad oordeelt dat de door appellante opgevoerde beperkingen onvoldoende medisch zijn onderbouwd en dat haar eigen beleving niet voldoende is om de beperkingen uit te breiden.
Er is geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Uitgaande van de beperkingen zoals vastgesteld door het UWV, kan appellante de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies verrichten. De beëindiging van de WIA-uitkering is daarom terecht. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.