Uitspraak
21.1038 PW
24 februari 2021, 20/1066 en 20/1199 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellanten ontvingen bijstand op basis van de gehuwdennorm en vroegen bijzondere bijstand aan voor een oven en een wasmachine. Deze aanvragen werden afgewezen door het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug. Appellanten stelden beroepen in tegen deze besluiten, maar voldeden niet tijdig aan de betaling van de griffierechten, waarop de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk verklaarde.
Appellanten voerden in hoger beroep aan dat de rechtbank onterecht niet inhoudelijk op hun beroepen is ingegaan en dat zij door een technische fout niet aan de zitting konden deelnemen. Tevens betwistten zij de gehanteerde inkomensgrens voor de beoordeling van hun verzoek om vrijstelling van griffierechten, stellende dat die in strijd is met hun grondrechten.
De Raad oordeelde dat de rechtbank terecht de niet-ontvankelijkheid heeft vastgesteld omdat appellanten geen geldige reden voor het niet betalen van griffierechten hadden gegeven. De Raad verwierp de klachten over de zitting en bevestigde dat de gehanteerde inkomensgrens van 95% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande overeenkomstig de geldende jurisprudentie is. Ook verwees de Raad naar eerdere uitspraken waarin soortgelijke klachten zijn afgewezen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees de beroepen af zonder inhoudelijke behandeling van de aanvragen om bijzondere bijstand. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van appellanten worden niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig betalen van griffierechten, en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.