ECLI:NL:CRVB:2023:402
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, die sinds 2018 psychische klachten heeft en laatstelijk als hoofd supportdesk werkte, vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht op basis van een medisch en arbeidskundig onderzoek. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was, mede omdat de arts telefonisch uitgebreid met appellant sprak en alle relevante medische informatie in ogenschouw nam.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, dat zijn psychische aandoeningen onvoldoende werden meegewogen en dat het UWV onvoldoende rekening hield met zijn belangen. De Raad stelde vast dat het onderzoek, ondanks telefonisch contact, zorgvuldig was en dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) adequaat waren vastgesteld. Het door appellant overgelegde rapport van een medisch adviseur gaf geen aanleiding tot een ander oordeel.
De Raad volgde de rechtbank dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid werd gebaseerd medisch geschikt zijn voor appellant. Ook het beroep dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen faalde omdat de Wet WIA dwingende bepalingen bevat. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom het besluit van het UWV en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.