ECLI:NL:CRVB:2023:403
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-uitkering na herbeoordeling arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn WGA-uitkering per 15 juni 2016, omdat het UWV zijn arbeidsongeschiktheid op minder dan 35% had vastgesteld. Na een tussenuitspraak en aanvullend deskundigenonderzoek werden de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast, met name op het gebied van vasthouden van aandacht, verhoogd persoonlijk risico en begeleidingsbehoefte.
Appellant betwistte de juiste inschatting van de begeleidingsbehoefte, waarbij hij stelde dat intensievere begeleiding nodig is dan in de FML was opgenomen, en dat de voorbeeldfuncties niet passend zijn vanwege een hectische werkomgeving. Ook voerde hij aan dat het maatmaninkomen onjuist was vastgesteld.
De Raad oordeelde dat de deskundigenrapporten inzichtelijk en overtuigend zijn en dat de FML van 7 juli 2022 in overeenstemming is met het medisch advies. De begeleidingsbehoefte vereist geen voortdurende aanwezigheid van een leidinggevende, en de voorbeeldfuncties zijn passend ondanks de productiehalomgeving. Het maatmaninkomen is correct berekend.
Hoewel het bestreden besluit aanvankelijk onvoldoende was gemotiveerd, is dat gebrek gepasseerd omdat appellant niet is benadeeld. Het hoger beroep wordt afgewezen, de eerdere uitspraak bevestigd en het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.