ECLI:NL:CRVB:2023:427
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat arbeidsongeschiktheid niet rechtstreeks gevolg is van zwangerschap of bevalling
Appellante ontving een Ziektewetuitkering wegens arbeidsongeschiktheid gerelateerd aan zwangerschap en bevalling. Na beëindiging van de WAZO-uitkering bleef zij arbeidsongeschikt, maar het UWV stelde vast dat deze ongeschiktheid niet langer rechtstreeks verband hield met zwangerschap of bevalling.
Appellante voerde aan dat het UWV de hoorplicht had geschonden en dat haar depressieve klachten, die zij als gevolg van de zwangerschap zag, onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het UWV een telefonische hoorzitting had gehouden.
In hoger beroep betwistte appellante dat het telefoongesprek een hoorzitting was en voerde zij aan dat haar situatie verslechterd was door een postnatale depressie. De Raad oordeelde dat het telefoongesprek wel degelijk een hoorzitting was, dat appellante voldoende gelegenheid had gehad haar bezwaren toe te lichten en dat de arbeidsongeschiktheid niet het directe gevolg was van zwangerschap of bevalling.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, inclusief de proceskostenveroordeling. De vergoeding van kosten voor beroepsmatige bijstand werd afgewezen vanwege het ontbreken van een adequaat ingediend processtuk.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.