ECLI:NL:CRVB:2023:104
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging zorgvuldig medisch onderzoek UWV bij beëindiging Ziekengeld
Appellante was werkzaam als medewerker housekeeping en meldde zich ziek in verband met een operatie. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe, die later werd beëindigd omdat zij geschikt werd geacht voor haar eigen werk. Na bezwaar werd dit besluit herzien en de uitkering voortgezet. Vervolgens stelde het UWV vast dat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde de uitkering opnieuw. Appellante maakte hiertegen bezwaar, waarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep een telefonisch spreekuur hield en aanvullende medische informatie opvroeg.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht. Appellante stelde in hoger beroep dat een telefonisch onderzoek onvoldoende was, zeker voor psychische klachten, en dat een fysiek spreekuur noodzakelijk was. Het UWV betoogde dat het primaire onderzoek door een geregistreerde verzekeringsarts was verricht en dat het telefonisch spreekuur passend was.
De Raad overwoog dat het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechtspraak vereisen dat in bezwaar een volledige heroverweging plaatsvindt, maar dat een spreekuurcontact niet altijd fysiek hoeft te zijn. In dit geval was er uitgebreide recente medische informatie en meerdere eerdere spreekuren, waardoor een telefonisch spreekuur toereikend was. De Raad concludeerde dat het UWV het onderzoek zorgvuldig had uitgevoerd en bevestigde het bestreden besluit.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering wordt bevestigd.