ECLI:NL:CRVB:2023:441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziekengeld na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant was werkzaam als medewerker technische dienst en meldde zich op 7 december 2018 ziek met fysieke klachten. Het UWV stelde op basis van een eerstejaars Ziektewet-beoordeling vast dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde daarom het ziekengeld per 19 januari 2020. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard, waarna hij in beroep ging bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de belastbaarheid van appellant juist was vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) onvoldoende waren, onder meer vanwege een vernauwing van de kransslagaders en energetische beperkingen. Ter onderbouwing bracht hij een brief van een geriater in en verzocht om een onafhankelijk deskundige. De Raad volgde het UWV en de rechtbank en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de brief van de geriater en het neuropsychologisch onderzoek geen aanleiding gaven tot het aannemen van meer beperkingen op de datum in geding.
De Raad bevestigde dat de door het UWV geselecteerde functies medisch geschikt waren en dat de berekende verdiencapaciteit juist was. Er was geen reden om een onafhankelijk deskundige te benoemen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV tot beëindiging van het ziekengeld per 19 januari 2020.