ECLI:NL:CRVB:2023:442
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugkomen op beëindiging WIA-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant ontving sinds 2009 een WIA-uitkering die in 2012 werd beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na een operatie in 2013 werd een WGA-loonaanvullingsuitkering toegekend, maar deze werd in 2014 beëindigd omdat appellant toen 32,38% arbeidsongeschikt was bevonden. Appellant verzocht in 2019 om herziening van dit besluit, stellende dat de operatie was mislukt en dat hij meer beperkingen had dan destijds werd aangenomen.
Het UWV weigerde terug te komen op het besluit, stellende dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische informatie die appellant aanvoerde geen nieuw inzicht gaf en de breuk van een kram in de enkel niet aannemelijk was vóór de datum van het besluit.
In hoger beroep stelde appellant dat de breuk al rond de datum van het besluit aanwezig was en dat de enkel niet genezen was, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank. De Raad oordeelde dat het verzoek geen nieuwe feiten bevatte en dat het besluit van het UWV niet evident onredelijk was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft geweigerd terug te komen op het besluit van 7 februari 2014 wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.