Uitspraak
21.1722 PW
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het hoger beroep voor zover dat betrekking heeft op de afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand niet-ontvankelijk;
- bevestigt de aangevallen uitspraak.
Centrale Raad van Beroep
Appellante vroeg bijstand aan op grond van de Participatiewet en bijzondere bijstand voor inrichtingskosten. Het college van burgemeester en wethouders van Weert wees de bijstandsaanvraag af vanwege het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar zus, en de bijzondere bijstand werd afgewezen wegens een voorliggende voorziening.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze besluiten ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel gaf over de bijzondere bijstand en dat het college onzorgvuldig handelde door geen tolk in te schakelen tijdens het intakegesprek.
De Raad oordeelde dat het hoger beroep voor de bijzondere bijstand niet-ontvankelijk is omdat appellante daartegen in eerste aanleg geen gronden had aangevoerd. De Raad stelde vast dat appellante en haar zus een gezamenlijke huishouding voeren, gebaseerd op objectieve criteria zoals gezamenlijk hoofdverblijf en wederzijdse zorg, onderbouwd door verklaringen en bankafschriften.
De klacht over het ontbreken van een tolk werd verworpen omdat appellante niet had aangegeven de vragen niet te begrijpen en de verklaring was zonder voorbehoud ondertekend. De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep voor het overige ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt voor zover het de bijzondere bijstand betreft niet-ontvankelijk verklaard en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd.