Uitspraak
21.2178 WLZ, 21/2179 WLZ
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- vernietigt de aangevallen uitspraken 1 en 2;
- verklaart de beroepen van betrokkene niet-ontvankelijk.
Centrale Raad van Beroep
Het geschil betreft besluiten van het zorgkantoor over persoonsgebonden budgetten (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) die zijn ingetrokken en teruggevorderd. Budgethouders maakten bezwaar en beroep tegen deze besluiten, waarbij betrokkene, die gewaarborgde hulp verleende, zich als partij voegde en ook beroep instelde.
De rechtbank Midden-Nederland oordeelde dat betrokkene als belanghebbende moest worden aangemerkt en dat de beroepen van betrokkene ontvankelijk waren. De rechtbank verwees de zaak terug naar het zorgkantoor voor behandeling als bezwaarschrift en stelde dat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel openstond.
Het zorgkantoor stelde dat de rechtbank ten onrechte geen einduitspraak deed en dat betrokkene niet bevoegd was om bezwaar of beroep in te stellen tegen de besluiten, omdat hij zelf geen bezwaar had gemaakt. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de rechtbank ten onrechte meende dat niet aan het vereiste van voorafgaand bezwaar was voldaan, maar dat betrokkene zelf geen bezwaar heeft gemaakt, waardoor hij niet-ontvankelijk is in beroep.
De Raad vernietigt de uitspraken van de rechtbank en verklaart de beroepen van betrokkene niet-ontvankelijk. De beroepschriften van de budgethouders dienen zonder betrokkene als partij weer door de rechtbank te worden behandeld.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen van betrokkene worden niet-ontvankelijk verklaard en de aangevallen uitspraken vernietigd.