ECLI:NL:CRVB:2022:2660
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van beroepen van zorgverleners tegen besluiten pgb Wet langdurige zorg
De zaak betreft beroepen van drie betrokkenen die zorg verlenen aan budgethouders met een persoonsgebonden budget (pgb) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Het zorgkantoor had besluiten genomen over het reeds verleende pgb, waaronder terugvordering van onverschuldigde betalingen en intrekking van verleningsbesluiten. De budgethouders maakten bezwaar en beroep tegen deze besluiten. Betrokkenen, die zorg verlenen aan de budgethouders, werden door de rechtbank als belanghebbenden toegelaten in de procedures en stelden zelf ook beroep in tegen de besluiten.
De rechtbank oordeelde dat betrokkenen als belanghebbenden konden optreden en dat de bestreden besluiten ook op hen betrekking hadden. De Raad stelt echter vast dat betrokkenen zelf geen bezwaar hebben gemaakt tegen de besluiten waartegen zij beroep instelden. Volgens artikel 6:13 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betekent dit dat zij niet ontvankelijk zijn in hun beroep. De Raad laat in het midden of zij als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, omdat het ontbreken van bezwaar reeds tot niet-ontvankelijkheid leidt.
De Raad vernietigt de aangevallen uitspraken van de rechtbank en verklaart de beroepen van betrokkenen niet-ontvankelijk. De procedures tegen de besluiten moeten worden voortgezet zonder betrokkenen als partij. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van de zorgverleners worden niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen bezwaar hebben gemaakt tegen de besluiten.