ECLI:NL:CRVB:2023:480
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en toekenning WIA-uitkering op 46,62%
Appellant, voormalig koerier, meldde zich ziek met lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde aanvankelijk dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering. Na bezwaar kende het UWV een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 46,62%, gebaseerd op medische en arbeidskundige rapporten.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen waren onderschat, met een second opinion en MRI als bewijs. Het UWV bracht aanvullende rapporten in, waarin werd geconcludeerd dat deze nieuwe medische gegevens geen aanleiding gaven tot het aannemen van meer beperkingen op de datum van de vaststelling.
De Raad concludeerde dat de arbeidsongeschiktheid terecht op 46,62% was vastgesteld en dat het hoger beroep niet slaagde. Het verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente werd afgewezen. Wel werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, inclusief griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de arbeidsongeschiktheid van appellant wordt vastgesteld op 46,62%.