Appellant was werkzaam als administratief medewerker en meldde zich ziek met psychische klachten, later gevolgd door lichamelijke en cognitieve klachten na een auto-ongeval. Het UWV stelde op basis van een functionele mogelijkhedenlijst (FML) en arbeidsdeskundig onderzoek vast dat appellant 45,05% arbeidsongeschikt was en kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat zijn beperkingen ernstiger waren dan vastgesteld, mede op basis van een revalidatiearts en het verzekeringsgeneeskundig protocol Whiplash associated disorder. De rechtbank wees het bezwaar af, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de FML juist was vastgesteld. De brief van de revalidatiearts werd onvoldoende onderbouwd geacht.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de arbeidsdeskundige functies passend had geselecteerd. De bezwaren van appellant over het maatmanloon en opleidingsniveau werden niet gegrond bevonden. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.