Appellant ontvangt sinds 2013 bijstand en was ingeschreven op adres X, terwijl zijn moeder op adres Y woont. Na een controle en huisbezoeken concludeerde het college dat appellant vanaf 19 april 2019 zijn hoofdverblijf had op adres Y, waarop de kostendelersnorm werd toegepast, bijstand werd teruggevorderd en een boete opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelt de Raad dat er geen feitelijke grondslag is voor het hoofdverblijf op adres Y gedurende de gehele periode. Vanaf 12 augustus 2019 is er wel een grondslag voor het hoofdverblijf op adres Y, maar appellant heeft dit niet gemeld, waardoor hij de inlichtingenverplichting schond.
De Raad vernietigt het besluit voor de periode 19 april tot 12 augustus 2019, herroept eerdere besluiten en stelt het terug te vorderen bedrag en de boete lager vast. De boete wordt passend geacht gezien de verwijtbaarheid en de cognitieve beperkingen van appellant leiden niet tot vermindering. Het college wordt veroordeeld in de proceskosten.