Uitspraak
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontvangt bijstand op grond van de Participatiewet en werd door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam een boete opgelegd wegens het niet melden van bijschrijvingen van derden op haar bankrekening. Tijdens een heronderzoek overhandigde zij bankafschriften waaruit bleek dat zij deze bijschrijvingen niet had gemeld. Het college legde een boete van €874,45 op, die later werd verlaagd tot €630,-.
Appellante voerde aan dat de bankafschriften onrechtmatig waren verkregen door druk tijdens het gesprek en dat de boete onterecht was opgelegd. Ook stelde zij dat zij recht had op vergoeding van bezwaarkosten vanwege de aanpassing van de beslagvrije voet. De Raad oordeelde dat bankafschriften wilsonafhankelijk materiaal zijn en dat er geen bewijs was voor ongeoorloofde druk. De boete was proportioneel en terecht opgelegd.
Verder stelde de Raad dat het gebruik van een beslagvrije voet van 90% tot 4 augustus 2020 geen onrechtmatigheid opleverde en dat daarom geen vergoeding van bezwaarkosten kon worden toegekend. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de boete bleef in stand.
Uitkomst: De boete van €630,- wegens schending van de inlichtingenverplichting blijft in stand en er is geen vergoeding van bezwaarkosten.