ECLI:NL:CRVB:2023:583
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verhoging WIA-uitkering ondanks PGB-zorg
Appellante had een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Zij verzocht om verhoging van deze uitkering wegens hulpbehoevendheid, maar het UWV wees dit af omdat zij gebruikmaakt van een Persoonsgebonden Budget (PGB) waarmee reeds in belangrijke mate in haar zorgbehoefte wordt voorzien.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Zij oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat het PGB niet in belangrijke mate voorziet in haar zorgbehoefte. Verder werd vastgesteld dat het UWV tijdig en correct op het bezwaar had beslist en dat appellante geen recht had op een dwangsom.
In hoger beroep stelde appellante dat het PGB niet als een andere voorziening in de Beleidsregel moet worden aangemerkt en dat zij onterecht niet is gehoord tijdens een hoorzitting. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank en zag geen aanleiding om het besluit te wijzigen.
De Raad bevestigde dat de volgorde van beslissen door de rechtbank niet tot benadeling heeft geleid en dat het UWV niet te laat heeft beslist op het bezwaar. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verhoging van de WIA-uitkering wordt bevestigd.