ECLI:NL:CRVB:2019:3893
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek verhoging WAO-uitkering wegens reeds toegekende thuiszorgvoorzieningen
Appellante heeft een WAO-uitkering op grond van een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Zij verzocht het UWV om verhoging van haar uitkering vanwege hulpbehoevendheid. Het UWV wees dit verzoek af omdat uit onderzoek van een verzekeringsarts bleek dat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor verhoging. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep stelde appellante dat zij dagelijks hulp nodig heeft bij persoonlijke verzorging en dat de hulp vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning onvoldoende is. Zij vorderde een verhoging van haar uitkering tot 85% van het dagloon. Het UWV handhaafde het standpunt dat de reeds toegekende thuiszorgvoorzieningen, waaronder hulp bij douchen en aankleden, in belangrijke mate voorzien in haar verzorgingsbehoefte.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoefte heeft aan verdergaande oppassing en verzorging dan reeds wordt geboden. Huishoudelijke taken zoals koken en vervoer vallen niet onder essentiële levensverrichtingen die een verhoging rechtvaardigen. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de verhoging van de WAO-uitkering omdat appellante reeds in belangrijke mate wordt voorzien in haar verzorgingsbehoefte via thuiszorg.