Appellant ontvangt kinderbijslag en kindgebonden budget voor zijn dochter die bij zijn partner in Slowakije woont. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft vastgesteld dat appellant in 2017 een bedrag van € 391,08 te veel aan kindgebonden budget heeft ontvangen en heeft dit bedrag via verrekening met toekomstige uitkeringen teruggevorderd.
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze verrekening en een beroep ingesteld, evenals een verzoek om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheden. De rechtbank heeft het beroep deels niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het terugvorderingsbedrag ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, behalve voor de overschrijding van de redelijke termijn.
In hoger beroep stelt appellant dat de Svb onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij schade heeft geleden. De Svb stelt dat de bevoegdheid tot herziening en terugvordering bij de Belastingdienst/Toeslagen ligt en dat de Svb slechts invordert via verrekening. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de Awir niet in de bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak is opgenomen en dat de Raad daarom niet bevoegd is om op het hoger beroep te beslissen.
De Raad verklaart zich onbevoegd en zendt het hoger beroep door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant terugbetaald. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.