Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:592

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 maart 2023
Publicatiedatum
30 maart 2023
Zaaknummer
21 / 3484 AKW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:105 AwbArt. 8:114 AwbArt. 6:15 AwbArt. 30, eerste lid AwirArtikel 9 Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep onbevoegd in hoger beroep verrekening kindgebonden budget

Appellant ontvangt kinderbijslag en kindgebonden budget voor zijn dochter die bij zijn partner in Slowakije woont. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft vastgesteld dat appellant in 2017 een bedrag van € 391,08 te veel aan kindgebonden budget heeft ontvangen en heeft dit bedrag via verrekening met toekomstige uitkeringen teruggevorderd.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen deze verrekening en een beroep ingesteld, evenals een verzoek om schadevergoeding wegens vermeende onrechtmatigheden. De rechtbank heeft het beroep deels niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het terugvorderingsbedrag ongegrond verklaard. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen, behalve voor de overschrijding van de redelijke termijn.

In hoger beroep stelt appellant dat de Svb onrechtmatig heeft gehandeld en dat hij schade heeft geleden. De Svb stelt dat de bevoegdheid tot herziening en terugvordering bij de Belastingdienst/Toeslagen ligt en dat de Svb slechts invordert via verrekening. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de Awir niet in de bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak is opgenomen en dat de Raad daarom niet bevoegd is om op het hoger beroep te beslissen.

De Raad verklaart zich onbevoegd en zendt het hoger beroep door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellant terugbetaald. Een proceskostenveroordeling wordt niet opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd en zendt het hoger beroep door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

21/3484 AKW
Datum uitspraak: 30 maart 2023
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 augustus 2021, 19/4011 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats ] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [C.] hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2022. Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door R.W. Nicolaas en mr. E.M. Mulder.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

De Svb vordert te veel uitbetaald kindgebonden budget terug door middel van verrekening met nog te verstrekken kindgebonden budget. De Raad concludeert dat hij niet bevoegd is te beslissen op het hoger beroep.

Inleiding en besluiten van de Svb

1.1.
Appellant ontvangt kinderbijslag op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) en kindgebonden budget op grond van de Wet op het kindgebonden budget (Wkb) (samen: gezinsbijslag) voor zijn dochter [naam dochter ] . [naam dochter ] woont bij de partner van appellant in Slowakije . Deze partner ontving gezinsbijslag uit Slowakije . De gezinsbijslag die appellant ontvangt is een aanvulling hierop. De Svb betaalt de gezinsbijslag uit.
1.2.
Op 13 maart 2018 heeft de Svb appellant laten weten dat de hoogte van het kindgebonden budget is gewijzigd waardoor appellant over het jaar 2017 € 391,08 te veel aanvullende gezinsbijslag heeft ontvangen Ook heeft de Svb de hoogte van de aanvulling voor 2018 aangepast. Bij besluit van 13 maart 2018 heeft de Svb meegedeeld dat het door appellant terug te betalen bedrag van € 391,08 zal worden verrekend met te ontvangen kinderbijslag als appellant niet voor 25 april 2018 reageert.
1.3.
Bij besluit van 7 december 2018 heeft de Svb appellant laten weten het teveel ontvangen bedrag van € 391,08 vanaf het eerstvolgend kwartaal met het kindgebonden budget te verrekenen met een maximum van € 150,- per kwartaal.
1.4.
Bij besluit van 13 juni 2019 heeft de Svb het bezwaar tegen het besluit van 7 december 2018 niet-ontvankelijk verklaard.
1.5.
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 13 juni 2019 en een verzoek om schadevergoeding ingediend.
1.6.
De Svb heeft de rechtbank bij brief van 2 september 2020 laten weten dat het besluit van 13 juni 2019 wordt ingetrokken en dat opnieuw op het bezwaar zal worden beslist.
1.7.
Bij besluit van 23 december 2020 heeft de Svb vastgesteld dat de Belastingdienst/Toeslagen op 3 augustus 2018 het kindgebonden budget over 2017 definitief heeft vastgesteld en dat appellant € 204,12 in plaats van € 391,08 te veel gezinsbijslag heeft ontvangen. Dit bedrag moet appellant terugbetalen.

Uitspraak van de rechtbank

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 13 juni 2019 niet-ontvankelijk verklaard, en het beroep tegen het besluit van 23 december 2020 ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen behalve voor zover dit betreft de overschrijding van de redelijke termijn, omdat niet gebleken is dat en welke schade appellant heeft geleden. Verder is de Svb geen dwangsom verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 13 maart 2018. De rechtbank heeft de Svb opgedragen om het griffierecht aan appellant te vergoeden. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is door de rechtbank afgewezen.

Standpunten in hoger beroep

3. In hoger beroep hebben partijen de volgende standpunten ingenomen.
3.1.
Appellant voert in de kern het volgende aan. De Svb heeft opzettelijk een bedrag van € 187,- van appellant gestolen en appellant ontvangt ten onrechte sinds het vierde kwartaal van 2019 geen kinderbijslag. Appellant heeft hierdoor € 2.250,- aan materiële schade geleden en € 6.000,- aan immateriële schade. Verder heeft de rechtbank ten onrechte geen dwangsom toegekend wegens niet tijdig beslissen en ten onrechte geen proceskosten toegekend. Tot slot verzoekt appellant de Raad om prejudiciële vragen te stellen.
3.2.
De Svb heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht. Ter zitting heeft de Svb verduidelijkt dat de bevoegdheid tot herziening en terugvordering van het kindgebonden budget bij de Belastingdienst/Toeslagen ligt. De besluitvorming van de Svb ziet op de invordering door middel van verrekening. In dat verband heeft de Svb vastgesteld welk bedrag aan kindgebonden budget terugbetaald dient te worden en verrekend wordt met te ontvangen gezinsbijslag, in dit geval uitsluitend kindgebonden budget.

Oordeel van de Raad

4. De Raad oordeelt als volgt.
Omvang van het geding
4.1.
Appellant heeft gesteld dat hij vanaf het vierde kwartaal van 2019 geen kinderbijslag zou hebben ontvangen. Dit valt buiten de beoordeling van dit geschil, omdat deze besluitvorming van de Svb niet voorligt in deze procedure.
4.2.
De Raad begrijpt de wél aan de orde zijnde besluitvorming van de Svb zo, dat de invordering van het in 2017 te veel ontvangen kindgebonden budget plaatsvindt door middel van verrekening met in de toekomst te ontvangen kindgebonden budget. Appellant bestrijdt de bevoegdheid van de Svb tot deze invordering.
De Raad onbevoegd
4.3.
De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of hij bevoegd is te beslissen op het hoger beroep. Gelet op de toelichting van de Svb ter zitting ligt voor een besluit tot invordering van te veel betaald kindgebonden budget dat is verstrekt op grond van de Wkb, door middel van verrekening met nog te verstrekken kindgebonden budget. Verrekening van kindgebonden budget met kindgebonden budget is geregeld in artikel 30, eerste lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
4.3.1.
Ingevolge artikel 8:105, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), tenzij een andere hogerberoepsrechter bevoegd is ingevolge (…) de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift.
4.3.2.
Op grond van artikel 9 of Pro artikel 10 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak kan tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent een besluit, genomen op grond van een in die artikelen genoemd voorschrift of anderszins in die artikelen omschreven, hoger beroep worden ingesteld bij de Raad.
4.3.3.
De Awir wordt niet in artikel 9 of Pro artikel 10 van Pro de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak vermeld. Het bestreden besluit is dus niet genomen op grond van een in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak vermeld wettelijk voorschrift. Dit betekent dat de Centrale Raad van Beroep niet bevoegd is kennis te nemen van het door appellant ingediende hoger beroep voor zover het gaat om de besluitvorming over de verrekening. Op grond van artikel 8:105, tweede lid, van de Awb betekent dit ook dat de Raad niet bevoegd is om het verzoek om schadevergoeding te beoordelen.
Conclusie en gevolgen
4.4.
De Raad zal zich onbevoegd verklaren om te oordelen over het hoger beroep. Het hogerberoepschrift zal met toepassing van artikel 6:15 van Pro de Awb ter behandeling worden doorgezonden aan de Afdeling. Met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb zal worden bepaald dat de griffier van de Centrale Raad van Beroep aan appellant het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetaalt.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart zich onbevoegd;
  • bepaalt dat de griffier van de Raad het betaalde griffierecht van € 134,- aan appellant terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum als voorzitter en A. van Gijzen en M. Wolfrat als leden, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2023.
(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt